Met mijn opa gaat het slecht, misschien ligt Frenske wel op sterven. Dan ga je terugdenken. Ik hou van opa en beiden houden we van muziek. Mooi was het toen wij samen in zijn Ford Scorpio schlagers als Hoch auf dem gelben Wagen zongen. Achtergrondmuziek werd voorgrond. Sopraan en bas kwamen bij elkaar.
Het einde van het lied zit weer in mijn hoofd. Gern wär’ ich selbst noch geblieben, Aber der Wagen rollt. Nu pas besef ik de metafoor voor de naderende dood. Je kunt het wel beseffen, je kunt wel over de dood denken of praten of schrijven. Maar denken, praten of schrijven over een laatste hoopje grootvader biedt weinig troost. Dat beeld is killer en mechanischer dan een ziekenhuislift met spiegels. Troost vind ik de laatste dagen in Bach, een stil Van Abbe, American Recordings van Johnny Cash en gedichten van Kouwenaar.
Waar komt het vandaan dat we als we geconfronteerd worden met de eindigheid van onze menselijkheid weer terugvallen op kunst? Misschien is het niet voor niets. Bij een begrafenis hoort nu eenmaal muziek en op een doodsprentje hoort een gedicht. Afgelopen week publiceerde Max Planck Instituut een onderzoek naar de geschiedenis van de mens. De neanderthalder kon niets met kunst en stierf uit. Hèt kenmerk van onze soort, de homo sapiens, is dat ze kan communiceren via kunst. Je moet als mens symbolen begrijpen, betekenis kunnen duiden en op een bepaalde manier naar de wereld kunnen kijken. Die creativiteit maakte de homo sapiens flexibeler in de jachtstrategie, het bracht hem vooruit.
Vandaag demonstreert Nederland voor cultuur. Ik doe mee. Ik protesteer tegen de beweging die menselijkheid als een hobby en creativiteit als een kostenplaatje afschildert.
Joost Heijthuijsen
deze column verscheen in Brabants Dagblad
| Tweet |



